De NF-5 was (als enige F-5 in de wereld) uitgerust met een Canadian Marconi Type
668 Doppler navigatie systeem en een 703 navigatie systeem met een rollermap. De
vlieger plande zijn route op een zogenaamde “strip-map”, die was uitgesneden uit
een grote vliegkaart. De schaal die over het algemeen werd gehanteerd was 1:500.000,
maar ook het formaat 1:250.000 was mogelijk, of zelfs een combinatie. Dit was instelbaar
op het navigatiepaneel.
Als de map klaar was, werd hij opgerold in een cassette geplaatst, en vervolgens
werd deze cassette in de houder op het instrumentenpaneel geplaatst. Over de lengte
van de “strip-map” was een referentiekoers ingetekend, die manueel werd ingegeven
op het navigatiepaneel. Voor de vlucht werden nog verdere relevante gegevens ingevoerd
in de navigatie computer.
In vlucht rekende de Doppler navigatie radar uit wat de relatieve beweging van het
vliegtuig was ten opzichte van de grond. De map kon omhoog of omlaag (of omgekeerd)
bewegen. Een cursor, aangebracht op een plastic bandje, kon naar links en naar rechts.
Op deze manier kon de positie van het vliegtuig dan worden weergegeven op de strip-map.
Indien buiten het bereik van de strip-map werd gevlogen, was het nog steeds mogelijk
d.m.v. de gegevens op het navigatiepaneel (ongeveer) de positie van het vliegtuig
te bepalen.